Denk aan uw voorgangers, die het Woord van God tot u gesproken hebben. Let op de uitkomst van hun levenswandel, en volg hun geloof na. Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid. (Hebr. 13: 7-8)
Een tijdje geleden maakte ik een wandeling over de begraafplaats achter de kerk. Mijn oog viel op een grafzerk waar vier namen op stonden. Een naam bleek die van een verre voorganger van mij te zijn, namelijk dominee Bernardus van Eijsselsteijn. Hij werd geboren te Zwolle op 20 augustus 1861 en overleed op 8 maart 1921 te Nieuwe Pekela. Van de vier namen op de zerk bleek hij het oudst te zijn geworden, zijn vrouw en twee dochters gingen hem voor, terwijl hij zelf stierf op de leeftijd van 59 jaar. Een klein eindje verderop stond een zerk met daarop de naam van een andere dochter van deze predikant: Lidy van Eijsselsteijn. Zij werd geboren in de pastorie van Nieuwe Pekela en begon al op jonge leeftijd met het schrijven van gedichten. Na het overlijden van haar vader schreef zij het volgende gedicht:
In Memoriam B. van Eijsselsteijn V.D.M.
1. Toen Hij je heeft gesteld in het dorp met zijn enge grenzen: een vogel in Zijn kooi, die je in de aanvang niet wist - was het nest nog zacht om je heen, je kracht nog jong en intens, en je wilde hart was willig gevangen in Zijn list.
2. Je figuur zeer fors en groot, uit goed oud hout gesneden, de kop van een apostel, eenvoudig en recht je aard. En de kleine, vrolijke vrouw - klimop aan Libanons ceder - haar weelde van asblond haar reikt aan je rosse baard
3. Dit was het goed begin. En later, toen je de kusten des levens overzag, over vele hoofden heen? Toen je kende kooi en grens, een van de waarheid-gekusten, en haar recht zag in het gelaat, te bewuster, te meer alleen?
4. En Lucifer zei tot God: ‘Geef hem over in mijn handen, deze man, een knecht als Job, getrouw, en zonder kreuk, - Hoe, zo ik zijn hand ontnam het goede uit der levenden landen, hem joeg met plaag op plaag, hem sloeg met breuk op breuk?’
5. En God zei: ‘Hij zij in Uw hand, doe wat goed is in Uw ogen.’ Hij zweeg. En de boze ging heen, zoekend hoe hij je verdierf. Hij sloeg de kleine vrouw, de tedere lust van je ogen, die fraaie na levende fractie langzaam kromde, en stierf
6. Hij rukte het nest uitéén. Hij heeft je, als Job, ontnomen de beide blondste dochters uit het snoer dat je glimlachend reeg - Hij goot zijn gif aan je uit, en wierp aarde over je dromen, en droesem was in je dronk - En jij, je leed, en zweeg.
7.Eens stond ik, een kind, voor de ruit van je deur, die was versloten. Het was vroeg op de Zondagmorgen, op de eerste dag der week. Het licht lag rood-en-blauw door het glas in lood gegoten, en ik zag: je lag geknield, biddende vóór de preek
8. Deze stilte, dit klein gebaar, en hoe je rees uit je zwijgen met ogen, die staarden, staarden, als uit een oud schilderij - Ik sloop in beven heen, om de ceder, die wist te neigen, om het raadsel, dat bidden heet, om dit tussen jou en mij.
9. En de jaren traagden heen. Je kop werd gegroefder en grijzer. Geen vrolijke tedere snavel streek meer je ruigte mooi. En God zei: ‘Het is genoeg. Zie deze mens: hoe gehavend! Ik gaf zijn hart in Uw hand, maar het viel U niet ten prooi’
10. Toen lag je neder, en stierf. En je zei me in je sterven: ‘Mijn leven is mislukt, een molme pijl op Gods boog!’ En God sloeg de kooi aan stuk, en je strekte wijd de vlerken, en vloog, bevrijde vogel, recht in Zijn licht omhoog.
11. Maar ik weet: een stem in het dorp zegt soms nog: ‘Deze man was rechtvaardig.’ Nog weet een enkel hart een woord, dat jij hebt geleerd, iets van warmte en vuur: zaad, dat breekt uit de aarde van een hart van ander formaat, dat zich willig heeft verteerd –
12. Nog ziet, door de jaren heen, je gelaat mij soms aan van een kansel. Nog hoor ik de oude, troostende zegen, zo jij hem sprak. En moeizaam leert mijn hart de gesloten deur, en daarachter de stilte van één, die knielt, en zwijgend rijst, en staart –
13. Nog is tussen jou en mij een woord onvertaald gebleven. Nog heeft mijn blinde blik je raadsel niet ontward. Maar ik weet je welbewaard in het bundelken van die leven: oogst, in Zijn hand vergaard, besloten aan Zijn hart.
Dochter Lidy trekt een parallel tussen het leven van haar vader en dat van Job. Net als Job kreeg haar vader met veel lijden te maken. Daarnaast wordt duidelijk dat haar vader geworsteld heeft met zijn taak als predikant. Geworsteld om zondag aan zondag het Woord te brengen, geworsteld met het voorgaan van de gemeente in leer en leven. Uiteindelijk beschouwde hij zijn leven en werk als mislukt. Behalve dit gedicht en een paar foto’s weten we niet heel veel van dominee Van Eijselsteijn. Hij moet een irenisch man geweest zijn. In de Winschoter Courant van 10-08-1892 staat een artikeltje over een handtekeningenactie die door een groot aantal leden van de gemeente is opgezet om een moderne (vrijzinnige) predikant te beroepen. In het artikel staat dat Van Eijsselsteijn indien nodig bereid is om samen te werken met deze moderne predikant. Dat spreekt natuurlijk niet vanzelf. Uit het gedicht komt het beeld naar voren van een hele gewone dorpsdominee. Is dat nu ook zo’n voorganger waar de schrijver van de Hebreeënbrief ons toe oproept om aan te denken? De man lijkt zo gewoon. Wij kijken liever naar de grote indrukwekkende namen. Wij laten ons het liefst inspireren door mensen die echt wat bereikt hebben. En toch wordt juist in dit hele gewone leven, waar wij vandaag weinig tot niets meer van weten, zichtbaar hoe God wil werken. Ds. Van Eijsselsteijn vond zijn leven en zijn dienst aan God mislukt, maar toch waren er mensen in het dorp die zich zijn woorden over God herinnerden, die getuige waren geweest van zijn zelfopoffering. En uiteindelijk getuigt zijn dochter dat de uitkomst van zijn leven is dat hij thuis mocht komen bij God. Misschien had u ook grote verwachtingen van uw eigen leven. Maar kijkt u bij het ouder worden teleurgesteld terug: wat heb ik er nu eigenlijk van gemaakt? Het leven van deze hele gewone voorganger leert ons dat wij niet hoeven te wanhopen. Wij hoeven ons alleen maar over te geven aan Jezus Christus. Bij Hem is vergeving voor al onze tekortkomingen. En zelfs door onze tekorten heen wil de Heere ons gebruiken. Daarom letten we ook op een eenvoudige voorganger als Van Eijsselsteijn letten in het besef dat de Heere Jezus, die hem nabij wilde zijn nog steeds dezelfde is en ook onze Heer en Heiland wil zijn.
Ds. J. Admiraal